Spreekwoorden
(Vanasõnad)

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3

Kes püüab kõigest väest, saab üle igast mäest = Wie hard genoeg probeert, komt over elke berg heen

Mis halvasti, see uuesti = Wat slecht (is), dat (moet) opnieuw

Kõht täis, meel hea = Buik vol, goed humeur

Kingitud hobuse suhu ei vaadata = Een gegeven paard niet in de mond kijken

Kui pea ei jaga, siis jagavad jalad = Als het hoofd niet werkt, dan werken de benen
(als je niet goed nadenkt, moet je extra werk doen)

Kuidas töö, nõnda palk = Hoe werk, zo loon
(vgl. loon naar werken)

Kured lähevad - kurjad ilmad, haned lähevad – halvad ilmad, luiged lähevad – lumi taga = Kraanvogels gaan - boos weer, ganzen gaan - slecht weer, zwanen gaan - sneeuw komt

Kus häda kõige suurem, seal abi kõige lähem = Waar de nood het grootst is, daar is de hulp het dichtste bij

Kus viga näed laita, seal tule ja aita = Waar een fout/probleem is, kom/ga daar en help

Kus suitsu, seal tuld = Waar rook (is), daar (is) vuur

Kõik päevad ei ole vennad = Alle dagen zijn niet broers
(elke dag is weer anders)

Käbi ei kuku kännust kaugele = De dennenappel valt niet ver van de stronk
(vgl. de appel valt niet ver van de boom)

Käsi peseb kätt = Hand wast hand
(vgl. dienst wederdienst)

Küsija suu peale ei lööda = De vrager slaat men niet op de mond
(vgl. vragen staat vrij - nee heb je, ja kun je krijgen)

Lõpp hea, kõik hea = Eind goed, alles goed

Magaja kassi suhu ei jookse hiir = Een slapende kat rent geen muis in de mond
(als je iets wilt bereiken, dan moet je er wat voor doen)

Maitse üle ei vaielda = Over smaak (valt) niet te twisten

Meest sõnast, härga sarvest = Een woord van een man, horens van een stier
(vgl. een man een man, een woord een woord)

Mida ei saa jõuga, saab nõuga = Wat je niet met macht krijgt, krijg je met wijsheid
(vgl. wie niet sterk is, moet slim zijn)

Mida Juku ei õpi, seda Juhan ei tea = Wat Juku (kleine Juhan) niet leert, dat weet Juhan niet
(niet jong geleerd, niet oud gedaan)

Mis kergelt tulnud, see kergelt läinud = Wat gemakkelijk komt, dat gaat gemakkelijk (weg)

Mis täna tehtud, see homme hooleta = Wat vandaag is gedaan, dat is morgen zorgenloos

Muna õpetab kana = Het ei leert de kip
(vgl. de leerling overtreft de meester)

Naer on terviseks = Lachen is gezond

Oled üle koera saanud, saad üle saba ka = Als je over de hond bent gekomen, dan kom je ook over de staart
(als je het grootste deel van een klus hebt gedaan, dan lukt het laatste beetje ook nog wel)