Zijn / Hebben


1. Zijn

Tegenwoordige tijd Verleden tijd
mina/ma olen (ik ben) mina/ma olin (ik was)
sina/sa oled (jij bent) sina/sa olid (jij was)
tema/ta on (hij/zij/het is) tema/ta oli (hij/zij/het was)
meie/me oleme (wij zijn) meie/me olime (wij waren)
teie/te olete (jullie zijn / u bent) teie/te olite (jullie waren / u was)
nemad/nad on (zij zijn) nemad/nad olid (zij waren)

2. Hebben

In het Estlands bestaat er eigenlijk geen woord voor hebben, maar wordt gebruik gemaakt van olema ofwel zijn en een naamval van het persoonlijk voornaamwoord. Concreet: in plaats van ik heb wordt de constructie voor mij is gebruikt.

Tegenwoordige tijd Verleden tijd
minul/mul on (ik heb) minul/mul olin (ik had)
sinul/sul on (jij hebt) sinul/sul olid (jij had)
temal/tal on (hij/zij/het heeft) temal/tal oli (hij/zij/het had)
meil on (wij hebben) meil olime (wij waren)
teil on (jullie hebben / u hebt) teil olite (jullie hadden / u had)
nendel/neil on (zij hebben) nendel olid (zij hadden)