Vervoeging naamvallen


1. Algemeen

Het Estlands kent maar liefst 14 (!) naamvallen, zowel voor het enkelvoud als het meervoud, maar gelukkig geen "mannelijke" of "vrouwelijke" woorden. Belangrijk om te leren zijn de nominatieve naamval, de genitieve naamval en de partitieve naamval. De laatste twee worden gebruikt om andere naamvallen te construeren, en wel op de volgende manier:

· Op basis van de genitivus enkelvoud worden alle overige naamvallen in het enkelvoud (behalve de nominativus en de partitivus) geconstrueerd.

· Op basis van de genitivus enkelvoud wordt ook de nominativus meervoud geconstrueerd.

· Op basis van de partitivus enkelvoud wordt de genititivus meervoud geconstrueerd.

· Op basis van de genitivus meervoud worden alle overige naamvallen in het meervoud (behalve de nominativus en de partitivus) geconstrueerd.


Soms wijkt de genitieve naamval behoorlijk af van de nominatieve en kan een woord er in een andere naamval dus heel anders uitzien dan de nominatieve vorm. In het woordenboek staat dan ook altijd aangegeven hoe de (eventueel afwijkende) genitivus en partitivus eruitzien.

2. Nominativus

De nominativus is de naamval die gebruikt wordt als het zelfstandig naamwoord het onderwerp van een zin. Deze naamval geeft antwoord op de vragen: Wie? Wat? Hier valt verder weinig over te zeggen.

3. Genitivus

De genitivus is zoals gezegd de basis voor andere naamvallen. In een zin wordt deze gebruikt als antwoord op de vragen: Van wie? Van wat?

Meer info

4. Partitivus

De partitivus wordt gebruikt als antwoord op de vragen: Wie? Wat? Maar in tegenstelling tot de nominativus gaat het hier om gevallen waarin sprake is van:

· Een deel van het object

· Een ongedefinieerde hoeveelheid van het object

Dit komt ook aan de orde bij het onderwerp Lijdend voorwerp.

Meer info

5. Naamvallen “In/Uit”

Er zijn drie naamvallen die aangeven dat er sprake is van respectievelijk: een beweging naar/in iets (of iemand), een statische positie in iets (of iemand) of een beweging vanuit iets (of iemand):

De
illativus geeft antwoord op de vragen: Waarin? In wie? Waarnaartoe? Hier is altijd sprake van een beweging.

De
inessivus geeft antwoord op de vragen: Waarin? In wie? Waar? Hier is altijd sprake van een statische positie.

De
elativus geeft antwoord op de vragen: Waaruit? Uit wie? Waarvandaan? Hier is altijd sprake van een beweging.

Meer info

6. Naamvallen “Op/Af”

Er zijn ook drie naamvallen die aangeven dat er sprake is van respectievelijk: een beweging op iets/aan iemand, een statische positie op iets (of iemand) of een beweging vanaf iets/van iemand.

De
allativus geeft antwoord op de vragen: Waarop? Aan wie? Op wat? Hier is altijd sprake van een beweging.

De
adessivus geeft antwoord op de vragen: Waarop? Op wie? Op wat? Hier is altijd sprake van een statische situatie. Deze naamval wordt ook voor een bijzondere taalconstructie gebruikt, namelijk in combinatie met het werkwoord olema geeft dit de betekenis van “hebben” (zie het onderwerp Zijn / Hebben).

De
ablativus geeft antwoord op de vragen: Waarvanaf? Vanaf wat? Van(af) wie?

Meer info

7. Overige naamvallen

De translativus geeft antwoord op de vragen: Wordt wat? Wordt wie? Het betrokken zelfstandig naamwoord is dan het resultaat van een actie.

Meer info


De
terminativus geeft antwoord op de vragen: Tot waar? Tot wie? Tot wat?

De
essivus geeft antwoord op de vragen: Als wat? Als wie?

Meer info


De
comitativus geeft antwoord op de vragen: Waarmee? Met wie? Met wat?

De
abessivus geeft antwoord op de vragen: Zonder wat? Zonder wie?

Meer info