|
|
|
Het Estlands kent maar liefst 14 (!) naamvallen, zowel voor het enkelvoud als het meervoud, maar gelukkig geen "mannelijke" of "vrouwelijke" woorden. Belangrijk om te leren zijn de nominatieve naamval, de genitieve naamval en de partitieve naamval. De laatste twee worden gebruikt om andere naamvallen te construeren, en wel op de volgende manier: |
|
· Op basis van de genitivus enkelvoud worden alle overige naamvallen in het enkelvoud (behalve de nominativus en de partitivus) geconstrueerd. |
|
· Op basis van de genitivus enkelvoud wordt ook de nominativus meervoud geconstrueerd. |
|
· Op basis van de partitivus enkelvoud wordt de genititivus meervoud geconstrueerd. |
|
· Op basis van de genitivus meervoud worden alle overige naamvallen in het meervoud (behalve de nominativus en de partitivus) geconstrueerd. |
|
|
|
|
|
De nominativus is de naamval die gebruikt wordt als het zelfstandig naamwoord het onderwerp van een zin. Deze naamval geeft antwoord op de vragen: Wie? Wat? Hier valt verder weinig over te zeggen. |
|
|
|
De genitivus is zoals gezegd de basis voor andere naamvallen. In een zin wordt deze gebruikt als antwoord op de vragen: Van wie? Van wat? |
|
|
|
De partitivus wordt gebruikt als antwoord op de vragen: Wie? Wat? Maar in tegenstelling tot de nominativus gaat het hier om gevallen waarin sprake is van: |
|
· Een deel van het object |
|
· Een ongedefinieerde hoeveelheid van het object |
|
Dit komt ook aan de orde bij het onderwerp Lijdend voorwerp. |
|
|
|
Er zijn drie naamvallen die aangeven dat er sprake is van respectievelijk: een beweging naar/in iets (of iemand), een statische positie in iets (of iemand) of een beweging vanuit iets (of iemand): |
|
|
|
Er zijn ook drie naamvallen die aangeven dat er sprake is van respectievelijk: een beweging op iets/aan iemand, een statische positie op iets (of iemand) of een beweging vanaf iets/van iemand. |
|
|
|
De translativus geeft antwoord op de vragen: Wordt wat? Wordt wie? Het betrokken zelfstandig naamwoord is dan het resultaat van een actie. |