Naamvallen na werkwoorden


A t/m I J t/m N O t/m Z

olenema = afhankelijk zijn (van)
vb. See oleneb asjaoludest = Dat hangt af van de omstandigheden
omama = hebben, bezitten
vb. See küsimus omab suurt tähtsust = Die vraag heeft een groot belang
osa võtma = deelnemen (aan)
vb. Me võtsime võistlusest osa = We namen deel aan de wedstrijd
oskama = kunnen, in staat zijn (om), beheersen
vb. Kas te oskate eesti keelt? = Kunnen (= beheersen) jullie de Estlandse taal?
pettuma = teleurgesteld zijn (in)
vb. Nad pettusid näitleja mängus = Ze waren teleurgesteld in het vertoonde spel
puudutama = aanraken
vb. Ära puuduta seda lille! = Raak deze bloem niet aan!
rääkima = praten
vb. Me räägime maalist kunstnikuga = We praten over het schilderij met de kunstenaar
sarnanema = lijken (op)
vb. Poeg sarnaneb isaga = De zoon lijkt op de vader
tegelema = zich bezig houden (met)
vb. Kas te tegelete poliitikaga? = Houden jullie je bezig met politiek?
tutvuma = kennis maken (met)
vb. Ma tutvusin temaga alles eile = Ik maakte pas gisteren kennis met hem
tänama = (be)danken (voor)
vb. Ma tänan teid kingitusse eest = Ik bedank jullie voor het kado
uskuma = geloven (in)
vb. Ma usun sind = Ik geloof jou
vb. Ta usub Jumalasse = Hij/zij gelooft in God
vastama = corresponderen (met)
vb. See ei vasta tõele = Dat correspondeert niet met de waarheid
veenduma = overtuigd zijn (van)
vb. Ma olen veendunud sinu aususes = Ik ben overtuigd van jouw eerlijkheid
võlgnema = verschuldigd zijn (aan)
vb. Ma võlgnen sulle palju tänu = Ik ben jou veel dank verschuldigd