Naamvallen na werkwoorden


A t/m I J t/m N O t/m Z

jagama = delen
vb. Jaga kaksteist neljaga = Deel twaalf door vier
jätkama = doorgaan (met)
vb. Me jätkame oma tööd = We gaan door met ons werk
jätkub (= aitab) = het is genoeg/voldoende
vb. Sellest jätkub = Dat is genoeg (lett. het is genoeg van dat)
kaasa tundma = meevoelen
vb. Ma tunnen teile kaasa teie leinas = Ik voel mee met jullie in jullie verdriet
kadestama = benijden
vb. Ta kadestab sind = Hij/zij benijdt jou
kaebama = klagen (over)
vb. Ma kaeban sulle oma häda üle = Ik klaag tegen jou over mijn problemen
kahtlema = twijfelen (over), betwijfelen
vb. Ma kahtlen tema sõprusses = Ik betwijfel zijn/haar vriendschap
keelduama = weigeren
vb. Ta keeldus sellest = Hij weigerde dat
kiinduma = gehecht raken (aan)
vb. Õppilane kiindus oma õpetajasse = De student raakte gehecht aan zijn/haar docent
kohanema = zich aanpassen (aan)
vb. Me kohanesime ümbrusega = Wij passen ons aan aan de omgeving
kohtama = ontmoeten
vb. Ma kohtasin sõpra tänaval = Ik ontmoette een vriend op straat
kohtlema = behandelen
vb. See õpetaja kohtleb oma õpilasi sõbralikult = Deze docent behandelt zijn studenten vriendschappelijk
kuulama = luisteren
vb. Kuula teda! = Luister naar hem/haar!
kuuluma = horen (bij), bezit zijn van
vb. Raamat kuulub poisile = Het boek is bezit van de jongen
kõnelema = bespreken, spreken (over)
vb. Me kõneleme muusikastst = We bespreken de muziek
küsima = vragen (aan)
vb. Laps küsis isalt, kas ... = Het kind vroeg (aan) zijn vader of ...
lootma = rekenen (op)
vb. Me kõik loodame sinule = We rekenen allemaal op jou
lugu pidama = respecteren
vb. Ma pean sinust lugu = Ik respecteer jou
läbi nägema = doorzien
vb. Ma näen sust/sinust läbi = Ik doorzie jou
mõju avaldama = indruk maken (op)
vb. Viimane kõne avaldas rahvale suurt mõju = De laatste toespraak maakte een grote indruk op de mensen
naerma = lachem (om)
vb. Kõik naersid nalja üle = Iedereen lachte om de grap
naerma = lachen (om)
vb. Kõik naersid nalja üle = Iedereen lachte om de grap