Naamvallen na werkwoorden


A t/m I J t/m N O t/m Z

aitama = helpen
vb. Aita mind! = Help me!
aitab = het is genoeg
vb. Sellest aitab = Dat is genoeg (lett. het is genoeg van dat)
armuma = verliefd worden
vb. Poiss armus tüdrukusse = De jongen werd verliefd op het meisje
aru saama = begrijpen
vb. Ma ei saa sellest sõnast aru = Ik begrijp dit woord niet
arvestama = rekening houden met
vb. Arvesta seda võimalust, et ... = Houd rekening met de mogelijkheid dat ...
eelistama = prefereren
vb. Ma eelistan treatrit kinole = Ik prefereer het theater boven de bioscoop
harjuma = wennen (aan)
vb. Inimene harjub kõigega = Een mens went aan alles
huvi tundma = interesse hebben (in)
vb. Ma tunnen huvi selle töö = Ik heb interesse in dit werk
imestama = verbaasd staan (van)
vb. Ma imestan su kannatlikkust = Ik sta verbaasd van jouw geduld
imetlema = aanbidden
vb. Nad imetlevad moodsat kunsti = Zij aanbidden moderne kunst