Lijdend voorwerp


In de Estlandse taal kan het lijdend voorwerp in een zin, over het algemeen een zelfstandig naamwoord, in verschillende naamvallen voorkomen. Belangrijk is hierbij of het lijdend voorwerp als een "totaal object" of als een "partieel object" moet worden beschouwd, maar zelfs dan is het gebruik van de juiste naamval een tamelijk complexe aangelegenheid.

Beschouw maar eens onderstaande voorbeelden:
Võta raamat! Pak het boek! (lijdend voorwerp in nominativus)
Ma võtan raamatu Ik pak het boek (lijdend voorwerp in genitivus)
Ma loen raamatut Ik lees het boek (lijdend voorwerp in partitivus)

1. "Totaal object"

Er is sprake van een lijdend voorwerp als "totaal object" als aan alle drie de volgende voorwaarden is voldaan:
1. de zin is bevestigend (dus niet ontkennend)
2. de actie van het werkwoord leidt tot een afronding
3. de actie van het werkwoord heeft gevolgen voor het object in zijn totaliteit

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dan geldt het volgende:
a. als het de gebiedende wijs betreft, dan is het lijdend voorwerp in de nominatieve naamval, zowel voor enkelvoud als meervoud
b. als het een beschrijvende zin betreft (waarin een feit wordt weergegeven) en het lijdend voorwerp is enkelvoud, dan moet de genitieve naamval worden gebruikt.
c. als het een beschrijvende zin betreft (waarin een feit wordt weergegeven) en het lijdend voorwerp is meervoud, dan moet de nominatieve naamval worden gebruikt.

Voorbeelden van geval a.:
Võta raamat! = Pak het boek!
Võta raamatud! = Pak de boeken!

Voorbeeld van geval b.:
Ma võtsin raamatu = Ik pakte het boek

Voorbeeld van geval c.:
Ma võtsin raamatud = Ik pakte de boeken

2. "Partieel object"

Er is sprake van een lijdend voorwerp als "partieel object" als aan één van de drie volgende voorwaarden is voldaan:
1. de zin is ontkennend
2. de actie van het werkwoord heeft een continu, niet eindigend, karakter
3. de actie van het werkwoord heeft betrekking op slechts een deel van het object (of een ongedefinieerde hoeveelheid ervan)

In dergelijke gevallen staat het lijdend voorwerp altijd in de partitieve naamval, zowel voor wat betreft enkelvoud als meervoud.

3. Voorbeelden

Voorbeelden hiervan, waarbij de verschillen tussen "totaal" en "partieel" object (hopelijk) duidelijk worden:

3.1 Gebiedende wijs

Totaal object Partieel object
Võta raamat! (nom. enk.) Pak het boek! Ära võta raamatut (part. enk.) Pak het boek niet!
Loe raamat läbi! (nom. enk.) Lees het boek helemaal door! Loe raamatut (part. enk.) Lees het boek! (gedeeltelijk)
Joo see vesi ära! (nom. enk.) Drink het water op! Joo vett! (part. enk.) Drink wat water!

3.2 Beschrijvende zinnen

Totaal object Partieel object
Ma võtsin raamatu (gen. enk.) Ik pakte het boek Ma ei võtnud raamatut (part. enk.) Ik pakte het boek niet
Ma lugesin raamatu läbi (gen. enk.) Ik las het boek helemaal door Ma lugesin raamatut (part. enk.) Ik was het boek aan het lezen
Ma sõin leiva ära (gen. enk.) Ik at het (hele) brood op Ma sõin leiba (part. enk.) Ik at wat brood

N.B.: Als het lijdend voorwerp een "totaal object" is, dan wordt het werkwoord vaak vergezeld met woorden als: läbi (door), ära (weg), üles (op), maha (naar beneden), valmis (klaar).

3.3 Afgeronde/continue actie

Totaal object Partieel object
Ma ostan raamatu (gen. enk.) Ik koop het boek / ik zal het boek kopen Ma ostan raamatut (part. enk.) Ik ben het boek aan het kopen