Afgeleide zelfstandige naamwoorden


Soms zijn zelfstandige naamwoorden afgeleid van andere woorden (bv. werkwoorden). Ze zijn dan te herkennen aan een bepaalde uitgang, die ook meteen al iets zegt over de betekenis van het zelfstandig naamwoord. Onderstaande voorbeelden zullen dat hopelijk verduidelijken.

1. Mensen

1.1 -ja
Deze uitgang (zie ook Uitgang -ja) wordt toegevoegd achter de stam van een werkwoord. Het geeft aan dat het hier gaat om de "uitvoerder" van een activiteit.
algama (beginnen) -> algaja = beginner
esindama (vertegenwoordigen) -> esindaja = vertegenwoordiger
kuulama (luisteren) -> kuulaja = luisteraar
valitsema (heersen) -> valitseja = heerser
õpetama (onderwijzen) -> õpetaja = leraar / onderwijzer

1.2 -ur
Deze uitgang geeft aan dat de betrokken persoon een bepaald soort werk of gewoonte heeft, en kan afgeleid zijn van een ander zelfstandig naamwoord, maar ook van een werkwoord.
kala (vis) -> kalur = visser
kuju (vorm) -> kujur = beeldhouwer
lendama (vliegen) -> lendur = vliege(nie)r
valvama (bewaken) -> valvur = bewaker
sõda (oorlog) -> sõdur = soldaat

1.3 -nik
Deze uitgang geeft aan dat de betrokken persoon een bepaalde soort beroep, roeping of constante situatie heeft. Zo'n woord kan afgeleid zijn van een ander zelfstandig naamwoord, maar ook van een werkwoord.
amet (beroep) -> ametnik = ambtenaar
kirjutama (schrijven) -> kirjanik = schrijver
kunst -> kunstnik = kunstenaar
elama (wonen) -> elanik = inwoner
kodus (thuis) -> kodanik = burger
talu (boerderij) -> talunik = boer

1.4 -lane
Deze uitgang geeft de nationaliteit, vestigingsplaats of vak van een persoon aan.
eesti (Estland) -> eestlane = Est
soome (Finland) -> soomlane = Fin
Tartu -> tartlane = persoon uit Tartu
õppima (studeren) -> õpilane = student
teadma (weten) -> teadlane = wetenschapper
sugu (geslacht, familie) -> sugulane = familielid

1.5 -line

abi (hulp) -> abiline = assistent
külas (op bezoek) -> külaline = bezoeker
töö (werk) -> tööline = werker, arbeider

1.6 -nna, -tar
Deze woorden geven de "vrouwelijke" versie aan van een woord.
eestlane (Est) -> eestlanna = Estse
sõber (vriend) -> sõbranna = vriendin
kuningas (koning) -> kuninganna = koningin
laulja (zanger) -> lauljanna of lauljatar = zangeres

2. Acties of resultaten van acties

2.1 -mine
Deze uitgang (zie ook Uitgang -mine) wordt toegevoegd achter de stam van een werkwoord. Het geeft aan dat het hier gaat om de "uitvoering" van een activiteit.
laulma (zingen) -> laulmine = het zingen
lugema (lezen) -> lugemine = het lezen

2.2 -us
Deze uitgang wordt ook achter de stam van een werkwoord geplaatst en geeft een (resultaat van een) actie aan.
kasvatama (opvoeden) -> kasvatus = opvoeding
armastama (houden van) -> armastus = liefde
arvama (denken, vinden) -> arvamus = mening
harjutama (oefenen) -> harjutus = oefening
lubama (beloven) -> lubadus = belofte
suudlema (kussen) -> suudlus = kus
kaotama (verliezen) -> kaotus = verlies

2.3 -e
Deze uitgang wordt ook achter de stam van een werkwoord geplaatst en geeft het resultaat van een actie aan.
hüppema (springen) -> hüpe = sprong
mõtlema (denken) -> mõte = gedachte
tundma (voelen) -> tunne = gevoel
tõlkima (vertalen) -> tõlge = vertaling

2.4 -ng
Zie onderstaande voorbeelden.
lugema (lezen) -> loeng = lezing
istuma (zitten) -> istung = sessie, zitting

2.5 -k
Deze uitgang is vaak te zien bij woorden die zijn samengesteld met tulema (komen) en minema (gaan). Zie onderstaande voorbeelden.
siise tulema (binnenkomen) -> sissetulek = inkomen
välja minema (uit gaan) -> väljaminek = uitgave
sisse käima (binnengaan) -> sissekäik = binnenkomst, entree
koju tulema (thuis komen) -> kojutulek = thuiskomst

3. Abstracte concepten

3.1 -us
Deze uitgang wordt achter de stam van een bijvoeglijk naamwoord geplakt.
tark (slim, wijs) -> tarkus = wijsheid
rumal (dom) -> rumalus = domheid
noor (jong) -> noorus = jeugd
pikk (lang) -> pikkus = lengte
vana (oud) -> vanus = leeftijd
valge (licht) -> valgus = licht

3.2 -dus
Net als de uitgang -us woordt ook deze uitgang achter de stam van een bijvoeglijk naamwoord geplakt.
vaba (vrij) -> vabadus = vrijheid
vana (oud) -> vanadus = oudheid
ilus (mooi) -> iludus = schoonheid

4. Plaatsen, groepen, gebieden

4.1 -la
Zie onderstaande voorbeelden.
haige (ziek) -> haigla = ziekenhuis
söök (eten) -> söökla = diner
suvi (zomer) -> suvila = zomerhuis
vang (gevangene) -> vangla = gevangenis
võimlema (oefeningen doen) -> võimla = gymnasium, turnschool

4.2 -stik
Zie onderstaande voorbeelden.
sõna (woord) -> sõnastik = woordenboek
täht (letter) -> tähestik = alfabet
laev (boot) -> leavastik = vloot
maa (land) -> maastik = landschap
mägi (berg) -> mäestik = gebergte

4.3 -kond
Zie onderstaande voorbeelden.
üks (één) -> ühikond = maatschappij
inimene (mens) -> inimkond = mensheid
õhk (lucht) -> õhkkond = atmosfeer
keskus (centrum) -> keskkond = omgeving
teadus (wetenschap) -> teaduskond = faculteit

4.4 -ndus
Zie onderstaande voorbeelden.
kaup (koopwaar) -> kaubandus = handel
kaevama (graven) -> kaevandus = mijn
üks (één) -> ühendus = eenheid